maandag, 06 sept 2010
You are here:

Weerballonnen

 

 


Vier keer per dag rond 6 uur 12 uur, 18 uur en 24 uur (Universal Time) worden vanaf diverse punten over hele wereld weerballonen opgelaten. Het doel van deze met helium gevulde ballonnen is de metingen bij het aardoppervlak aan te vullen met gegevens van de bovenlucht.

De resultaten worden radiografisch naar de diverse grondstations gestuurd, vandaar dat weerballonnen ook wel radiosondes worden genoemd. De sonde bereikt doorgaans een hoogte tussen 20 en 30 kilometer. Tijdens de vlucht, die één tot twee uur duurt, worden metingen verricht van temperatuur, luchtvochtigheid en luchtdruk. Uit de positie van de sonde worden windrichting en -snelheid berekend.

 

De radiosonde bestaat ruim een halve eeuw maar begin 20e eeuw waren er al vlieger- en ballonoplatingen. In de jaren van de Tweede Wereldoorlog werden internationaal radiosondes gebruikt om kennis op te doen over stromingen en processen in de hogere luchtlagen.


In 1947 begon het KNMI in De Bilt met radiosonde oplatingen, indertijd twee keer per dag. Vanaf 1957 zijn daar radiosondes met radar bijgekomen en sinds 1985 worden dagelijks vier sondes opgelaten. Vanaf 1992 wordt een of twee keer per week een ozonsensor meegestuurd om ozon in de lucht te meten. Radiosondes worden op vrijwel alle nationale meteorologische stations opgelaten.

 

Het gaat om een wereldwijd netwerk van ruim 500 meetpunten. De gegevens zijn van groot belang voor de weersverwachtingen, niet altijd voor de korte termijn maar ook voor meerdere dagen.

 


Hierboven ziet u foto,s van een Radio Sonde die onder een Weerballon hangt. Linksboven op de sonde is de GPS Antenne te zien en rechts de Meet sensoren.De dunne Antenne onderaan stuurt de gegevens naar het Ontvangst station van het K.N.M.I. Verder hangt aan het touw de parachute die de Sonde weer terug laat keren naar het Aardoppervlak.

(Met dank aan Ronald van Weerstation Ter Aar voor de foto,s en informatie)

 

De parachute met daaraan de Radio Sonde

 


Analyse van gegevens


Uit de metingen kunnen zeer veel parameters gehaald worden die van belang zijn voor weersverwachtingen en de actuele weersgesteldheid.


Wolken


Met behulp van de temperatuur en dauwpunt kunnen niet alleen de wolkenniveaus en dikte van wolkenbanken bepaald worden, ook wordt inzicht gegeven waar en op welke hoogte rijp en ijs in de wolken gevormd wordt.


Stabiliteit van de atmosfeer


Met de toenemende hoogte in de atmosfeer daalt de temperatuur. In een standaard atmosfeer is de daling ongeveer 1°C/100 m. Afwijkingen geven een maat voor de (on)stabiliteit van de atmosfeer.

Zwaar weer
Onweer, windhozen en tornado's vallen onder zwaar weer. Analyse van metingen geven aan of er zwaar in de lucht zit. Er zijn daarvoor tientallen parameters ontworpen die elk een eigen functie hebben.


Wind


Uit de beweging van de sonde wordt de windsnelheid en richting bepaald. Op enige hoogte kan deze afwijken van grondwaarnemingen. Het is bijvoorbeeld heel goed mogelijk dat de wind aan de grond uit het zuiden waait, maar op 5 of 10 km hoogte uit het noorden komt.


Soms vindt de omslag op een bepaalde hoogte heel plotseling plaats. We spreken dan over windschering ook dit kan een indicator voor zwaar weer zijn. Het kan vooral voorkomen bij zwaar onweer waarbij we met zware windstoten en windhoos kansen rekening moeten houden.


Ook op de diverse schepen worden weerballonen opgelaten.

 

Bron: Wikipedia / Weerstation Ter Aar