Thermometer
Een thermometer is een meetinstrument dat gebruikt wordt om temperaturen te meten. // Geschiedenis Een van de eersten die temperaturen wilden meten met behulp van een temperatuurschaal was Galenus in circa 1700.
ThermoscoopDe eerste temperatuurmetingen werden uitgevoerd met een thermoscoop. Deze bestaat uit een kom met vloeistof en een glazen bol die uitmondt in een lange glazen buis en in de vloeistof wordt gestoken. De eerste thermoscoop is uitgevonden door Santorio Santorio, die het gebruikte om de temperatuur van een mens te meten. Deze nam het bolletje wat aan het einde van de thermoscoop zat in zijn mond of klemde het in de hand. Het duurde soms wel 25 minuten voordat de temperatuur kon worden afgelezen. In 1610 maakte ook Galileo Galilei zo een instrument. Vóór de meting wordt wat lucht uit de bol gezogen. Vervolgens wordt de bol omgekeerd met het uiteinde van de buis in de vloeistof gestoken. De onderdruk zuigt de vloeistof omhoog de buis in. Als de lucht in de glazen bol wordt verwarmd, zal het niveau van de vloeistofkolom in de buis dalen, omdat de hogere luchtdruk de vloeistof terugduwt. Het omgekeerde gebeurt met afkoelen. Met een op de buis aangebrachte schaalverdeling kan de thermoscoop worden afgelezen. De eerste thermoscopen waren onnauwkeurig en er ontbrak een echte ijking. Rond 1630 wordt de vloeistofthermometer uitgevonden door de Franse arts Jean Rey. Daarmee worden veranderingen van de temperatuur aangegeven door middel van de thermische uitzetting van de vloeistof.
VloeistofthermometerDaniel Gabriel Fahrenheit vervolmaakt de thermometer. In 1709 maakt hij een vloeistofthermometer op basis van alcohol. In 1724 gebruikte hij voor het eerst kwik. Het voordeel van kwik is dat de thermische uitzettingscoëfficiënt groot is en bovendien vrijwel constant over een groot temperatuurbereik. Een kwikkolom is ook makkelijk af te lezen. Kwik blijft niet aan de glaswand hangen en heeft een groot temperatuurbereik. Kwik bevriest bij -38,9 °C en kookt pas bij 356,9 °C. De kwikthermometer heeft daarom voor dagelijks gebruik ruim voldoende bereik. Fahrenheit koos als laagste temperatuur de temperatuur van een mengsel van ijs, water en keukenzout. Dit was de laagste temperatuur die destijds bereikbaar was. Het smeltpunt van ijs is het tweede vaste punt, dat zet hij op 32 graden Fahrenheit. Het derde 'ijkpunt' is de lichaamstemperatuur, voor Fahrenheit 96 graden. Met deze ijking meet hij het kookpunt van water als 212 graden Fahrenheit. De hoogste temperatuur die met een vloeistofthermometer kan worden gemeten wordt beperkt door de dampspanning van de vloeistof en de sterkte van de glazen buis waarin deze is opgesloten. In de praktijk betekent dit dat een kwikthermometer niet veel hoger dan 350°C (het kookpunt van kwik) kan komen. Voor veel organische vloeistoffen geldt dat deze bij dat soort temperaturen niet stabiel zijn, dus deze grens zal ook daar niet worden overschreden. De laagste temperatuur die met een vloeistofthermometer kan worden gemeten wordt beperkt door het smeltpunt. Voor kwik is dat -39°C, met alcohol kan -114°C worden bereikt. Spelend met materialen kunnen heel vreemde vloeistofthermometers worden gemaakt: als men een vloeistof met een lage uitzettingscoëfficiënt insluit in een buis met een hoge uitzettingscoëfficiënt, kan men hiermee zelfs een thermometer maken waarvan de vloeistofkolom daalt als de temperatuur stijgt.
SchaalverdelingDe schaalverdeling voor thermometers is lang een discussiepunt geweest. Nog steeds worden er verschillende schaalverdelingen gebruikt:
Om Fahrenheit om te rekenen naar Celsius trekt men 32° van het geheel af, en deelt men het door 1,8 (bijv. (100° Fahrenheit - 32) / 1,8 = 37,77 °C).
Bron: Wikipedia |